Spreken oefeningen — Inburgering A2
178 spreken-oefeningen in examenstijl voor het inburgeringsexamen (A2), met voorbeeldantwoorden en directe AI-feedback.
Start een oefening met AI-feedback →Alle oefeningen (178)
- Kijk naar de foto. Je staat op de luchthaven met je koffer. De balie is dicht en je vlucht is vertraagd. Wat z
- Kijk naar de foto. Het is koud buiten en je bent thuis. Vertel: wat zie je op de foto? Wat doet de persoon? Ho
- Kijk naar de foto. Je bestelt eten met een bezorgapp. Vertel wat je ziet en wat je doet.
- Kijk naar de foto. U ziet iemand die een videogesprek voert om een bankpas te activeren. Wat denkt u dat de pe
- Kijk naar de foto. U ziet een persoon bij de kassa van de bioscoop. De kassamedewerker vraagt: 'Wilt u een kaa
- Kijk naar de foto. U staat bij een OV-chipkaart automaat. U moet geld opladen. Welk bedrag kiest u? Kies een b
- Kijk naar de foto. Wat zie je? Beschrijf de situatie. Waar zijn de mensen? Wat doen ze? Vertel in het Nederlan
- Kijk naar de foto van een buurman die worstelt met zware boodschappen. Hoe kun je hem helpen?
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je tegen de persoon?
- Kijk naar de foto. Je werkt als bezorger en je brengt een pakketje naar een huis. Vertel: wat doe je? Wat zie
- Kijk naar de foto. U bent in het taalcafé. U drinkt koffie en praat met andere mensen. Vertel wat u ziet op de
- Kijk naar de foto. U wilt uw bankpas activeren. De medewerker helpt u via een videogesprek. Vertel wat u ziet
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je tegen de persoon in de video?
- Kijk naar de foto. Het is koud thuis. Vertel: hoe stel je de thermostaat in? Wat doe je eerst? Wat doe je daar
- Kijk naar de foto. Je buurman heeft een zware tas met boodschappen. Je wilt hem helpen. Vertel wat je ziet en
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je?
- Kijk naar de video en reageer. Wat zegt de man tegen de vrouw?
- Kijk naar de foto's en vertel het verhaal. Wat gebeurt er? Begin met: 'Het is ochtend...'
- Kijk naar de foto. Een vrouw zit achter een computer en vult een online formulier in met haar DigiD. Waarom he
- Kijk naar de foto. Het is zomer en je hebt een barbecue in de tuin met vrienden. Vertel wat je op de foto ziet
- Kijk naar de foto. Je staat bij de bushalte en het regent. Wat gebeurt er? Vertel in 3-4 zinnen over de situat
- Kijk naar de video en reageer. Wat zou je zeggen?
- Kijk naar de foto's en vertel het verhaal. Wat gebeurt er?
- Kijk naar de foto's. Vertel het verhaal. Wat gebeurt er?
- Kijk naar de foto's. Ze vertellen een verhaal over een dag in Nederland. Vertel het verhaal. Wat gebeurt er op
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om naar je werk te gaan: met de bus of met de fiets. Welke kies jij
- Kijk naar de foto. Je bent bij de tandarts. De assistente vraagt: 'Hoe voelt u zich?' Vertel hoe je je voelt e
- Kijk naar de foto. Je ziet een timmerman in een werkplaats. Wat gebeurt er? Waar werkt hij? Beschrijf wat je z
- Kijk naar de foto. Je staat op de luchthaven met een koffer. Wat zie je? Beschrijf waar de mensen zijn en wat
- Kijk naar de foto. Een man zit aan de keukentafel met papieren voor toeslagen. Vertel wat hij doet en waarom.
- Kijk naar de foto. Dit is een bibliotheek. Je ziet een vrouw die een boek wil lenen. Vertel wat ze doet en wat
- Kijk naar de foto. Dit is een werkplaats. Wat zie je? Vertel wat de mensen doen en wat er in de werkplaats is.
- Kijk naar de foto. Je zit in de wachtkamer bij de huisarts. Wat zie je? Wie zijn er? Wat doen de mensen? Verte
- Kijk naar de foto. Wat zie je? Vertel wat de man doet en waarom. Je hebt 60 seconden.
- Kijk naar de foto. Het is herfst. Een man loopt met een hond in het bos. Wat doen de mensen? Vertel in het kor
- Kijk naar de foto. Je staat bij de balie van het postkantoor. De medewerker vraagt: 'Waar gaat het pakket naar
- Kijk naar de foto. Je ziet een man die een lamp ophangt. Wat zie je op de foto? Vertel in een paar zinnen wat
- Kijk naar de foto. De man geeft je een pakket bij de voordeur. Wat zeg je? Vertel en reageer op het moment.
- Kijk naar de foto. Je ziet een man en een vrouw die picknicken op het strand in de zomer. Vertel wat je ziet.
- Kijk naar de foto. U haalt uw paspoort op bij de gemeente. De medewerker geeft u het paspoort. Wat zegt u? Ver
- Kijk naar de foto. Je ziet iemand bij de apotheek. Vertel wat de persoon doet en waarom. Spreek 60 seconden in
- Kijk naar de foto. Een vrouw werkt op kantoor en telefoneert met een klant. Wat zie je? Wat doet de vrouw? Bes
- Kijk naar de foto. Een vrouw staat op het balkon en geeft water aan de planten. Wat gebeurt er? Beschrijf de s
- Kijk naar de foto. Je zit bij de huisarts in de wachtkamer. Wat zie je? Wat doen de mensen? Vertel in 3-4 zinn
- Kijk naar de foto. U ziet een mevrouw bij de balie van het ziekenhuis. Zij wil een afspraak maken voor een con
- Kijk naar de foto. Je ziet een vrouw die planten water geeft op het balkon. Vertel wat ze doet en waarom ze da
- Kijk naar de foto. Je bent bij de balie van het ziekenhuis en wilt een afspraak maken. Vertel wat je doet en w
- Kijk naar de foto. Je hebt een probleem met je wasmachine. Je belt de klantenservice. Vertel wat er kapot is e
- Kijk naar de foto. Het is herfst in het bos. Een man loopt met een hond. De bladeren zijn geel en oranje. De m
- Kijk naar de foto. Je ziet een vrouw in het bos in de herfst. Wat doet ze? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de foto. Wat ziet u? Vertel over de barbecue met vrienden. Wat doen de mensen? Wat eet u? Vertel in
- Kijk naar de foto. Je staat bij de kassa van de bioscoop. Wat zeg je tegen de medewerker? Vertel wat je wilt e
- Kijk naar de foto. U bent bij de klantenservice in een winkel. U heeft een kapotte lamp gekocht. Vertel aan de
- Kijk naar de foto. U staat in een elektronicawinkel en u wilt een telefoon kopen. Welke telefoon kiest u en wa
- Kijk naar de foto. U ziet een man met een plattegrond. Hij vraagt de weg aan een voorbijganger. Vertel wat u z
- Kijk naar de foto. Je ziet een vrouw in het bos. Ze loopt tussen de bomen. Vertel wat zij ziet en wat ze doet.
- Kijk naar de foto. De man is bij de apotheek. Wat vraagt de vrouw aan de balie? En wat zegt de man? Vertel in
- Kijk naar de foto. Op de foto zie je een man met een koffer op de luchthaven. Wat doet hij? Vertel wat je ziet
- Kijk naar de foto. Het is zaterdagmiddag in het park. Wat zie je? Wat doen de mensen? Vertel in 3 of 4 zinnen
- Kijk naar de foto. Een moeder haalt haar kind op van school. Ze praat met de juf. Vertel wat er gebeurt. Wat z
- Kijk naar de foto. Het is winter en er ligt veel sneeuw voor het huis. Een man staat voor de deur met een snee
- Kijk naar de foto. Dit is een kledingwinkel. De vrouw past een rode jurk. Beschrijf wat je ziet. Vertel wat de
- Kijk naar de foto. Je ziet een barbecue in de tuin met vrienden. Wat doen de mensen op de foto? Vertel in 3-5
- Kijk naar de foto. Je zit thuis achter de computer en je wilt een online formulier invullen met je DigiD. Wat
- Kijk naar de foto. Je bent bij de klantenservice van een warenhuis. Je hebt een tas gekocht, maar de rits is k
- Kijk naar de foto. Je staat met een lekke fietsband langs de weg. Wat doe je? Vertel in 3-4 zinnen.
- Kijk naar de foto. Je zit thuis achter de computer en je moet een online formulier invullen met DigiD. Vertel
- Kijk naar de foto. De man wandelt in het bos in de herfst. Wat zie je op de foto? Beschrijf de situatie. Verte
- Kijk naar de foto. Je bent thuis en je gaat een lamp ophangen. Vertel wat je ziet en wat je doet. Gebruik de t
- Kijk naar de foto. De vrouw schuilt onder een paraplu voor de regen. Vertel wat je ziet. Wat doet de vrouw? Ho
- Kijk naar de foto. Wat zie je? Vertel wat de man doet en hoe hij de fietsband repareert. Spreek 60 seconden.
- Kijk naar de foto. Wat zie je? Waar is deze man? Wat doet hij? Waarom doet hij dat? Vertel in 3 à 4 zinnen.
- Kijk naar de foto. Een man vraagt de weg aan een voorbijganger. Wat zegt de voorbijganger? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de foto. Een man staat bij de bushalte in de regen, zonder paraplu. Wat zie je? Vertel ook hoe hij z
- Kijk naar de foto. Je ziet een vrouw met een koffer op de luchthaven. Vertel wat zij doet en hoe zij zich voel
- Kijk naar de foto. Je fietst langs de weg en je krijgt een lekke band. Wat doe je? Vertel stap voor stap hoe j
- Kijk naar de foto. Je staat op straat en het begint te regenen. Wat zie je? Wat doe jij? Vertel in 3-4 zinnen.
- Kijk naar de foto. Dit is je vriendin Lisa. Ze heeft je uitgenodigd voor koffie bij haar thuis. Beschrijf wat
- Kijk naar de foto. De man is aan het werk op de computer. Zijn DigiD inlogscherm is open. Beschrijf wat u ziet
- Kijk naar de foto. U staat bij de apotheek en haalt medicijnen op. De apotheker geeft u een doosje. Vertel wat
- Kijk naar de foto. U bent bij de bank en wilt een rekening openen. Vertel wat u ziet en wat de medewerker doet
- Kijk naar de foto. De vrouw geeft haar planten water op het balkon. Waarom is het belangrijk om planten water
- Kijk naar de foto. Je ziet een vrouw op het balkon. Ze geeft planten water. Wat doet ze? Vertel het verhaal va
- Kijk naar de foto. Dit is een schoenenwinkel. Wat zie je? Wie werkt er? Wat doen de mensen? Vertel in 3-4 zinn
- Kijk naar de foto. Je ziet een bezorger bij een voordeur. Vertel wat er gebeurt. Wat doet de persoon? Waar is
- Kijk naar de foto. Je ziet een man die zijn buurman helpt met zware boodschappen. Vertel wat er op de foto geb
- Kijk naar de foto van de apotheek. U staat bij de balie. Vertel wat u ziet en wat u doet.
- Kijk naar de foto. De vrouw past kleren. Wat zie je? Vertel wat er gebeurt en waarom zij de kleren past.
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je tegen de persoon die je ziet?
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je?
- Kijk naar de foto's. Wat gebeurt er? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de foto's. Vertel het verhaal. Wat gebeurt er?
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om naar je werk te gaan: met de fiets of met de bus. Kies één manie
- Kijk naar de foto's. Welke manier van winkelen vind jij beter? Kies en vertel waarom.
- Kijk naar de foto's. Je gaat een dagelijkse activiteit kiezen. Welke vind je fijner: met de bus gaan of fietse
- Kijk naar de foto. Een vrouw zit op een bankje in het park. Een hond springt tegen haar op. Wat ziet u? Vertel
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je tegen de persoon?
- Kijk naar de video en reageer. Wat zeg je tegen de ander? Spreek in het Nederlands.
- Kijk naar de foto's. Vertel het verhaal. Wat gebeurt er?
- Kijk naar de foto's. Vertel het verhaal van de man die naar de markt gaat.
- Kijk naar de foto's. Ze vertellen een verhaal. Wat gebeurt er? Vertel het verhaal in het Nederlands.
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om naar je werk te gaan. Welke kies jij? Waarom? Vertel in drie of
- Kijk naar de foto's. Welke manier van boodschappen doen vind jij beter? Kies een foto en vertel waarom.
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om naar je werk te gaan in Nederland. Kies één manier en vertel waa
- Kijk naar de video en reageer. U hoort een gesprek tussen twee buren. Wat zegt u tegen uw buurman?
- Kijk naar de video en reageer op de situatie. Wat zeg je?
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om boodschappen te doen: naar de markt gaan of naar de supermarkt g
- Kijk naar de foto's. Je ziet twee manieren om in Nederland naar je werk te gaan. Kies één manier en vertel waa
- Kijk naar de twee foto's. Kies één manier om naar het werk te gaan. Vertel welke je kiest en waarom.
- Kijk naar de foto's. Kies één activiteit. Vertel wat je kiest en waarom.
- Kijk naar de video en reageer op wat de man zegt. Wat doe jij in het weekend?
- Kijk naar de foto's. Ze vertellen een verhaal over een dag in Nederland. Wat zie je? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de foto's. Wat zie je? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de drie foto's. Ze vertellen een verhaal. Wat zie je? Vertel het verhaal.
- Kijk naar de twee foto's. Je mag kiezen: wil jij liever met de fiets naar je werk gaan of met het openbaar ver
- Kijk naar de foto. Je ziet een man in een winkel. Wat doet hij? Waarom denk je dat? Vertel in drie of vier zin
- Kijk naar de foto. U ziet een man in een winkel. Hij praat met een mevrouw achter de kassa. Beschrijf wat u zi
- Kijk naar de foto. Je ziet een man in een winkel. Hij helpt een klant. Vertel wat de man doet en hoe hij de kl
- Kijk naar de foto. Een man staat bij de receptie van een kantoor. Wat zie je? Vertel wat de man doet en hoe hi
- Kijk naar de foto. Je ziet een zoon die een cadeau geeft aan zijn moeder. Wat zie je? Vertel over de situatie
- Kijk naar de foto. Het is een winkel met veel klanten. Wat ziet u op de foto? Vertel wat de mensen doen. U hee
- Kijk naar de foto. Een man en een vrouw zitten in een café. Wat zien je? Vertel wat ze doen. Praat 60 seconden
- Kijk naar de foto. Je ziet twee winkels: een supermarkt en een speelgoedwinkel. In welke winkel werk je liever
- Kijk naar de foto. Een man staat in de keuken. Hij maakt eten klaar. Vertel wat hij doet. Wat zie je nog meer?
- Kijk naar de foto. Een jongen helpt zijn moeder met de vaatwasser in de keuken. Wat doen ze? Vertel het verhaa
- Kijk naar de foto. Een vrouw zit op een bankje in het park. Ze leest een boek. Wat ziet u op de foto? Vertel i
- Kijk naar de foto. De man staat in de keuken. Hij kookt soep. Wat zie je nog meer op de foto? Vertel in 3-4 zi
- Kijk naar de foto. Een vrouw is in de keuken. Ze kookt eten. Wat ziet u op de foto? Vertel wat de vrouw doet e
- Kijk naar de foto. Je ziet een man die zijn handen wast in de keuken. Wat doet hij? Vertel het verhaal in 3-4
- Stel je voor: je ziet een foto van een café. Er zitten twee mensen aan een tafel. Ze drinken koffie en praten.
- Stel je voor: je ziet een foto van een man en een vrouw in een kleine bakkerij. De man staat achter de toonban
- Stel je voor: je ziet een foto van een man en een vrouw in een keuken. De man snijdt groenten, de vrouw roert
- Stel je voor: je ziet een foto van een keuken. Op de foto staat een vrouw. Ze kookt soep. Op het fornuis staat
- Stel je voor: je ziet een foto van een supermarkt. Er is een man en een vrouw. De man werkt bij de kassa. De v
- Stel je voor: je ziet een foto van een man die in een keuken staat. Hij heeft een schort aan en wast de afwas.
- Stel je voor: je ziet een foto van een man en een vrouw in de keuken. De man kookt en de vrouw snijd groenten.
- Stel je voor: je ziet een foto van een man die in een kleine supermarkt werkt. Hij staat bij de kassa en helpt
- Stel je voor: je ziet een foto van een café. Er zitten twee mensen aan een tafel. Ze drinken koffie en lachen.
- Stel je voor: je ziet een foto van een man die in een supermarkt groenten in het schap legt. Een vrouw vraagt:
- Stel je voor: je ziet een foto van een keuken. Een man en een vrouw koken samen. De man snijdt groenten en de
- U ziet een foto van een park. Vertel wat u ziet. Wat doen de mensen? U heeft 60 seconden de tijd om te spreken
- Je ziet een foto van een gezin in de tuin. Beschrijf wat je ziet. Wat doen de mensen? Je hebt 60 seconden.
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A staat een bord met pasta. Op foto B staat een bord met rijst en g
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A kookt iemand een snelle maaltijd: pasta met saus. Op foto B bakt
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A zie je een bakkerij met veel brood en taartjes. Op foto B zie je
- U ziet twee foto's. Op foto A ziet u een bakkerij. Op foto B ziet u een bloemenwinkel. In welke winkel wilt u
- Je ziet twee foto's. Foto A is een druk kantoor met veel collega's die samenwerken. Foto B is een rustige, leg
- Stel je voor: je ziet een foto. Op de foto staat een vrouw naast een open koffer. Er liggen kleren op het bed.
- Stel je voor: je ziet een foto van een park. Het is een zonnige dag. Beschrijf wat de mensen op de foto doen.
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die kookt. Op foto B zie je iemand die de afwas doe
- Je moet een cadeau kiezen voor de verjaardag van een vriend. Je ziet twee foto's. Op foto A staat een plant. O
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die de afwas met de hand doet. Op foto B zie je een
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A zie je een man in een kantoor achter een computer. Op foto B zie
- U ziet twee foto's. Foto A: een vrouw wandelt in het bos. Foto B: een man kijkt een film op de bank. Welke act
- U krijgt vanavond bezoek. U ziet twee plaatjes. Op plaatje A staat koffie met een koekje. Op plaatje B staat k
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A staat een pan met soep en brood. Op foto B staat een bord met pas
- U ziet twee foto's. Op foto A zit een vrouw thuis op de bank met een boek. Op foto B wandelt een man in het bo
- Je ziet twee foto's. Foto A is een bakkerij met brood en taart. Foto B is een kantoor met computers. In welke
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die op kantoor werkt achter een computer. Op foto B
- Je ziet twee foto's. Op foto A zie je een man die de afwas doet met de hand. Op foto B zie je een open vaatwas
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die met de hand de afwas doet. Op foto B zie je iem
- Stel je voor: je ziet een foto van een terras bij een café. Er zitten mensen buiten. Vertel wat je op de foto
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Foto A is een grote supermarkt. Foto B is een kleine kledingwinkel. De vraa
- U ziet twee foto's. Op foto A wast een man de afwas met de hand. Op foto B zet een man de afwas in de vaatwass
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die het huis stofzuigt met een stofzuiger. Op foto
- Je ziet twee foto's van een werkplek. Foto A is een rustig kantoor met computers. Foto B is een drukke winkel
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Op foto A zie je iemand die thuis op de bank een film kijkt met een deken.
- Je ziet twee foto's. Op foto A staat een moderne stofzuiger. Op foto B staat een klassieke bezem met een stoff
- Stel je voor: je ziet een foto van een park op een zonnige dag. Beschrijf wat je op de foto ziet. Vertel wat d
- Je ziet twee foto's van manieren om boodschappen te doen. Op foto A zie je een grote supermarkt. Op foto B zie
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Op foto A staat een ontbijt met yoghurt, fruit en noten. Op foto B staat ee
- Je hebt een vrije middag. Op plaatje A zie je iemand die thuis op de bank een boek leest. Op plaatje B zie je
- Je ziet twee foto's. Op foto A doet iemand de was in de wasmachine. Op foto B doet iemand de afwas met de hand
- Stel je voor, je ziet twee foto's. Foto A: Iemand maakt een groot, modern kantoor schoon. Het is avond en het
- Stel je voor: je ziet twee foto's. Foto A: een grote, warme pizza. Foto B: een frisse, gezonde salade. Welk ge
- Stel je voor, je ziet deze foto. Het is een druk, zonnig terras van een café. Beschrijf wat je op de foto ziet
- Je wilt een afspraak maken bij de kapper. Bel de kapper en vraag of je volgende week dinsdag kunt komen.
- Je bent in de bibliotheek en je wilt een boek lenen. Wat vraag je aan de medewerker?